Samstag, Februar 10, 2007

Mijn nieuwste schilderwerkjes...

Palmboom in Nerja, Spanje
©WVM, december 2006
Zonsondergang op het Baltikum
©WVM, december 2006

Freitag, Februar 24, 2006

Lofoten 2004

28 augustus - 10 september


Hoe ver noordelijk ik op deze reis zou geraken, wist ik bij aanvang zelf niet. De bedoeling was om ten minste tot aan de Lofoten te reizen. Natuurlijk had ik daar meteen recht naartoe kunnen vliegen, maar ik wilde deze reis in het Zuiden van Noorwegen beginnen en dan geleidelijk aan verder naar het noorden doorreizen, om een beetje meer van het land te zien. Oslo, Bergen en de Sognefjord bezocht ik vijf jaar geleden al, dus die streek zou ik deze keer (ook letterlijk) links laten liggen, en tot de Noordkaap hoefde ik niet persé. Ik vloog met Rynair van “Frankfurt” naar “Oslo”. Dat die twee steden – in overeenstemming met de Ryanair logica – niets met de eigenlijke vertrek- en aankomstplaatsen te maken hebben, is bekend en dat maakte ook dat de reis naar de luchthaven langer duurde dan de vlucht zelf. Bij het vertrek in Frankfurt Hahn, in de Hunsruck, regende het pijpenstelen, terwijl in Sandefjord (“Oslo Torp”) de zon scheen. De wereld op zijn kop. Naarmate we Scandinavië naderden kwamen er alsmaar meer openingen in de wolken, en zo kon ik makkelijk vanuit de lucht de Deense westkust herkennen, de Sont en dan, op reeds zeer geringe hoogte, de Noorse fjorden.

Voor de eerste nacht had ik een bed in de knusse jeugdherberg van Tønsberg gereserveerd, een havenstadje op zo’n honderd kilometer van Oslo. Ik was behoorlijk moe van de reis en besloot vroeg onder de wol te kruipen, na een korte avondwandeling en een eerste dure maaltijd op een terrasje langs de gezellige houten scheepskaai. In Tønsberg nam ik de trein tot Oslo. De volle terrasjes en het zonnige weer gaven me een heel ander beeld van de Noorse hoofdstad dan wat ik me van mijn oktoberbezoek in 1999 herinnerde. Ik nestelde me op een van de terrasjes voor een snelle lunch, toen het plots enorm hard begon te waaien. Ik dacht: gedaan met buitenzitten, straks vlucht iedereen naar binnen. Maar die Scandinaven blijven gewoon zitten en klemmen de tafelkleedjes nog wat steviger vast, terrasverwarming aan. Harde noorderlingen... Op de menukaart las ik een citaat: Hvis man ikke har penger, må man i det minste spise godt! (Als je geen geld hebt, moet je op zijn minst goed eten). Merkwaardige uitspraak in een land dat niet meteen bekend staat voor zijn gastronomie en nog minder voor lage prijzen. Nu had ik ook niet te klagen over het eten maar ik waagde het toch maar niet te beweren dat ik geen geld bij me had. Achteraf leerde ik dat de spreuk ontleend was aan de Noorse anarchistische schrijver Hans Jæger, die leefde van 1854 tot 1910.
Na de korte tussenstop in Oslo spoorde ik verder tot Hamar, waar ik overstapte op een lawaaierig dieseltreintje dat me naar het bergdorpje Røros bracht. Het werd een lange maar aangename rit door prachtige landschappen. Ik probeerde tevergeefs foto’s te maken vanuit het rijdende treintje. Altijd kwam er net een boom of een tunnel. In Røros bezocht ik de voormalige kopersmelterij, die vandaag als museum ingericht is. ’s Avonds veroorloofde ik me in een lokale pub een pint van omgerekend zo’n kleine 7 euro. Men is tenslotte niet elke dag op vakantie dacht ik, maar dat motto zou ik een paar dagen later opgeven.

Vanuit Røros reisde ik verder naar Trondheim, Noorwegen’s derdegrootste stad. Tevens een levendige studentenstad. Ik heb later tijdens deze reis met meerdere mensen gesproken die niet zo enthousiast waren over Trondheim maar daar was ik het dus niet mee eens. Veel jong volk op straat, met de fiets op weg naar een of ander seminarie of wat dan ook... Ik stelde me voor dat ik me er als student best op mijn gemak zou voelen. Ik overnachtte ook in een studentenresidentie. In de kelderverdieping was een slaapzaal met twaalf bedden voor backpackers ingericht. Ik sliep er helemaal alleen. Een beetje eng zag het er eigenlijk wel uit, zo tussen de verwarmingsbuizen. Het herinnerde me er ook nog een keer aan dat het toeristische seizoen in het hoge noorden vanaf midden augustus helemaal afgelopen is. De openingsuren van musea zijn gewijzigd, vele hotels zijn gesloten... en er zíjn ook geen toeristen meer. Het heeft natuurlijk ook zijn voordelen: geen lange wachttijden, meer kans om met de “locals” in contact te komen... Ideaal ook om uit te testen hoe het met mijn Noors gesteld was. Of het überhaupt mogelijk was met de Noren te communiceren zonder Noors te kennen en zonder zijn toevlucht te zoeken in het Engels. Mijn kennis van het Deens en Zweeds leken ver, heel ver in mijn geheugen weggezakt, maar langzaam aan kwam het terug. Ik ging ervan uit dat ik in Noorwegen verder zou komen met Zweeds dan met Deens, althans wat de gesproken taal betreft, maar ik kreeg het gevoel dat het eerder omgekeerd was. Dus schakelde ik geleidelijk over op Deens. Ik verstond weliswaar niet altijd wat ze antwoordden, maar het feit dat ze mij begrepen hadden schonk me voldoening. Ze dachten vast dat ik een Deen was. In Oslo kreeg ik een Noorse serveerster zover, dat ze me opnieuw in het Noors aansprak, nadat ze eerst op Engels was overgeschakeld. Gewoon weigeren Engels te praten, koppig als ik ben. Het werkt.
In het midden van de nacht werd ik uit een diepe slaap gewekt door een luid belsignaal. Het duurde een paar seconden eer het tot me doordrong wat er precies gaande was, maar het aanhoudende gerinkel en het gestommel op de trappen konden maar één ding betekenen: dit was brandalarm! Het hele gebouw stond in rep en roer, studenten liepen in pyjama of halfnaakt naar buiten. Ik haastte me naar de trappenhal en wist natuurlijk niet waar ik naartoe moest, dus ik volgde gewoon de stroom naar buiten. Het werd verzamelen aan een zijvleugel, waar twee studenten met naamlijsten controleerden of iedereen present was. Ik vroeg me af of ik ook op een lijst stond. Net op het moment dat ik mezelf wilde bekend maken, kwam een student op me af en vroeg me – eerst in het Noors, en na uitblijvende reactie, in het Engels – of ik “the one in the guest dorm” was. Ze waren me dus niet vergeten. Een hele opluchting. Het gebeuren verliep net niet chaotisch genoeg om echt te zijn en na een kwartier was de oefening afgelopen, en de stilte weergekeerd in het gebouw. Toch wel even schrikken.

Voor Trondheim had in ik een hele dag uitgetrokken. Het was inmiddels beginnen regenen, dus zou ik me concentreren op kerken en musea. De kathedraal ziet er vrij indrukwekkend uit van de buitenkant maar ik was een beetje teleurgesteld over het interieur. Ik kreeg spijt van het dure entreegeld dat ik betaald had. Daar het nog harder begon te regenen spurtte ik naar het vlakbij gelegen Kunstmuseum, waar vooral werk van Scandinavische impressionisten en expressionisten te bewonderen valt. Iets over tienen stapte ik op de nachttrein, die me nog verder noordwaarts zou brengen, en ik realiseerde me plots hoe ver dat eigenlijk wel was. Noorwegen is een ontzettend groot land. Smal, maar heel erg uitgestrekt in de lengte. Tijdens de nachtelijke reis zou ik ook de noordelijke poolcirkel overschrijden. In de zomer gaat de zon er niet onder. Voor dat middernachtzonspektakel was ik iets te laat maar de idee, zo ver noordelijk te reizen, was wel bijzonder. De treinreis duurde bijna elf uur. Tijdens het laatste stuk van het traject was het natuurlijk al licht en kon ik met toenemende verbijstering door het treinvenster het wondermooie landschap gadeslaan, dat aan me voorbijschoof. Bij aankomst in Bodø wachtte me een bijzonder aangename verrassing: het stationspersoneel deelde gratis gebak en koffie uit aan alle treinreizigers, ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van de Noorse Spoorwegmaatschappij NSB. Een reusachtige taart van wel een vierkante meter. Ik had wel de juiste dag uitgekozen voor mijn treinreis, en voor een keer dat je in Noorwegen gratis kan eten... Verder was er in Bodø niet veel bijzonders te beleven, en werden het dus vier saaie uren in afwachting op de ferry naar Moskenes. Niettemin naderde ik stilaan mijn eigenlijke reisbestemming, de Lofoten.

Het wachten werd beloond met een indrukwekkende overtocht van vier uur. De met lichte sluierwolken bedekte hemel en een fijn zonnetje zorgden voor een tamelijk klaar zicht en lieten me toe gedurende de hele tocht op het dek te blijven, ondanks de felle wind. Een paar mensen deden er zelfs hun middagdutje. Spitse, rotsachtige formaties doken overal als kleine eilandjes op in de oceaan. Een voorsmaakje van de Lofoten. Toen de ferry de Noorse eilandengroep naderde werd ook duidelijk hoe hoog deze bergjes in werkelijkheid waren.
Vanuit Moskenes nam ik de bus tot Å. Å is de laatste letter van het Noorse alfabet. Het plaatsje kreeg dezelfde naam omdat het het laatste, dwz meest zuidelijke, dorpje van de eilandengroep is en men er zich tevens aan het einde van de wereld waant. Ik logeerde er twee nachten in een gezellige rorbu. Dat is een houten vissershut, grotendeels op houten peilers boven het water gebouwd. Een halve paalwoning, haast. De Lofoten krioelen van de rorbuer, maar buiten het seizoen mag je blij zijn als je er een open vind. En de weinigen die geopend zijn, zitten niet eens vol. Er heerste een heel gezellige sfeer in de rorbu van Å. ’s Avonds troffen de gasten elkaar in het gemeenschappelijke salon, en daar komt altijd wel een interessante babbel uit voort (al was het soms moeilijk elkaar te verstaan onder het gekrijs van de meeuwen op het dak van de rorbu). Ik besloot het eiland Moskenesøy de dag nadien verder per fiets te verkennen. Het werd een prachtige zomerdag. Ik “huurde” een mountainbike bij de eigenaar van de Rorbu, en moest er niet eens voor betalen. Alweer een aanwijzing dat het toeristisch seizoen voorbij was. Het landschap was erg heuvelachtig en de korte hellingen steiler dan ik verwacht had, maar ik zag toch een groot deel van het eiland, met als uitschieters de dorpjes Hamnøy en Reine. De natuur is heel ruw, de spitse bergen zijn schaars begroeid met gras, mos, een heideachtig soort beplanting en slechts een paar lage struiken. Ik kwam de hele dag door steeds weer dezelfde mensen tegen, die ik herkende van op de boot, en die natuurlijk dezelfde dingen wilden zien als ik.
Ik reisde per bus verder naar Stamsund, over de eilanden Flakstaøy en Vestvågøy, met een overstap in Leknes. Dat stadje schijnt een vrij belangrijk handelscentrum voor de eilandbewoners te zijn, maar voor toeristen is er niet zo veel interessants te beleven. Het ligt ook niet aan de kust, zoals haast alle andere plaatsjes. Het hostel in Stamsund was apart. Alweer half boven het water op palen gebouwd, aan een kleine fjord. Een heel sfeervolle herberg, de zoete inval met een vijftiental mensen van de meest uiteenlopende nationaliteiten bij elkaar, een beetje à la L’Auberge espagnole. Ik maakte zelf gauw deel uit van de groep. Het leek wel één grote familie, hoewel niemand elkaar echt van tevoren kende. Ik zag wel een bekend gezicht: Arnaud, de Fransman die ik in Å al had ontmoet. Hij zou de dag voordien de boot terug naar Bodø nemen maar blijkbaar beviel het hem zo goed dat hij besloten had nog wat langer te blijven. Hij kon me ook overtuigen om ’s avonds mee te gaan vissen in een van de roeiboten die ter beschikking lagen. Verder ging er nog een Spanjaard en een Griekse mee, Javier en Kleopatra. Na twee uur hadden we drie vissen gevangen. Niet erg veel voor vier personen, vooral als je ziet hoe weinig er na het bakken van over blijft, maar ook niet slecht voor een eerste keer. Nooit gedacht dat ik nog een keer zou gaan vissen. Na het avondmaal bleven we met de hele groep nog tot in de vroege uurtjes natafelen.
De eerste regendag werd ook meteen een rustdag. De temperatuur zakte terug tot ongeveer 10 graden en meteen werd duidelijk hoezeer je op de Lofoten op mooi weer aangewezen bent. Er zijn geen musea, het is niet helder genoeg om van het landschap te genieten, en te nat om een serieuze buitenactiviteit te plannen. Dus werd het een dag van kletsen en aanmodderen... Tot een van de Zwitsers in het gezelschap met het onnozele voorstel kwam, om in de zee te gaan zwemmen. Niet erg veel geloof hechtend aan het gekke plan, zei ik dat ik wel met hem zou meegaan. Maar wat oorspronkelijk als een grap begonnen was... werd uiteindelijk ook uitgevoerd. We werden voor gek verklaard, maar een mens moet af en toe gekke dingen doen in zijn leven. We zijn nog geen minuut in het ijskoude water gebleven, maar we waren er wel in! De rest van de namiddag brachten we warm aangekleed en met een hete kop thee voor de houtkachel door. Ik herontdekte ook het schaakspel. Zo werd het stilaan tijd voor de voorbereiding van de volgende gezamenlijke vismaaltijd. Rond middernacht kwam iemand naar binnen gestormd, met de mededeling dat we onmiddelijk mee naar buiten moesten: “You can see north light!” De lucht was plots wolkenloos en we konden aan de hemel duidelijk noorderlicht waarnemen.
Bij zonsopgang regende het echter alweer. Toen het rond de middag toch even opklaarde, besloot ik het erop te wagen en wandelde ik samen met Rachel en Chris, twee Engelsen, over een van de nabijgelegen bergen. Het leverde een mooi panorama op over de omgeving . Tijdens de steile afdaling begonnen het opnieuw te bewolken, en de rest van de dag regende het opnieuw. We ondernamen nog een poging om te gaan roeien, maar ook dat avontuur eindigde in de plenzende regen. Het weer was volledig omgeslagen en het zag ernaar uit dat dat zo zou blijven. Ik prees me gelukkig dat ik de eerste drie dagen nog aangenaam zomerweer had gehad. Het slechte weer is een aspect dat bij de Lofoten hoort, maar het legt je ook veel beperkingen op. Ook toen ik maandag met Rachel verder doorreisde naar Svolvær, op het eiland Austvågøy, hield de regen aan. We maakten een omweg langs Henningsvær. Daarvoor moesten we weer op een andere bus overstappen, en omdat we geen zin hadden daar een uur op te wachten, legden we de laatste acht kilometer te voet af. Henningsvær draagt de bijnaam “Venetië van het Hoge Noorden”, maar dat is echt een beetje hooggegrepen. Wellicht heeft het plaatsje meer charme bij mooi weer, maar we vonden het niet de moeite hier te overnachten, hoewel dat eigenlijk eerst onze bedoeling was. Dus meteen met de eerstvolgende bus door naar Svolvær, de hoofdstad van de Lofoten, waar ik twee dagen later de boot terug naar Bodø zou nemen. De aanhoudende regen deed me echter opnieuw van gedachte veranderen en ik besloot een dag eerder terug te reizen. Ik nam ook een andere route.

In plaats van weer naar Bodø terug te varen, vergezelde ik Rachel verder tot Narvik, vanwaar zij per trein verder reisde naar Finland. Op die manier vermeed ik weliswaar negen vervelende uren in het saaie Bodø, in afwachting van de nachttrein, maar ik kwam er al gauw achter dat Narvik zo mogelijk nog saaier was dan Bodø. Een industrie- en handelsstad, zonder veel toeristische waarde. Vanuit Narvik vertrekt een spoorlijn naar Zweden en Finland. Een treinverbinding met de rest van het Noorse spoorwegennet is er niet. Narvik is weliswaar het meest noordeijke station maar Fauske is de meest noordelijke plaats in Noorwegen die vanuit het zuiden per trein bereikbaar is. Wie in Narvik verder naar het noorden wil, of naar Fauske, is op busdiensten aangewezen. Dat maakt van Narvik verkeerstechnisch een vrij belangrijke stad. Vele Noordkaapreizigers komen er aan met de trein uit Zweden en moeten er op een bus overstappen. Ik kwam met de boot van de Lofoten en vond het niet voldoende voor een overnachting, dus nam ik de eeste bus naar Fauske, waar ik vijf uur later aansluiting had op de nachttrein naar Trondheim. Het werd een bewogen busrit.
De buschauffeur verwelkomde zijn passagiers netjes in twee talen, Noors en Engels. Hij gaf onderweg ook uitgebreid uitleg over de reisroute: over welke bergpassen we reden, welke streken we doorkruisten, enzovoort. Vooraan in de bus zat een rumoerige familie. Het leek een gemengd huwelijk van een Aziatische man (of was het een Laplander?) met een Arabische vrouw. Vader zat fier op de eerste rij in de bus en zat voortdurend op zijn kinderen te roepen. Na iedere pauze lieten ze de hele bus wachten, door zich niet aan de duidelijke tijdsvoorschriften te houden. Verderop in de bus zat een man die duidelijk stomdronken was, door de bus heen en weer wankelde en mensen lastig viel met zijn dronkemanspraat. In Skarberget reden we op een ferry voor een korte fjordovertocht naar Bognes. In de cafetaria van de ferry zag ik de zatlap met een broodje en een kop chocolademelk voorbij strompelen. De kop bijna helemaal op zijn kant, de chocolademelk drupte op de grond. Toen ik, na een paar minuten op het dek, terugkwam, lag ie op de grond, in zijn braaksel. De zielige man werd afgevoerd, en zat bij het verlaten van de ferry niet meer op de bus. Die was langs een gereserveerde strook binnengereden, zodat ze helemaal vooraan stond en er ook als eerste weer uit kon, ware het niet dat we alweer moesten wachten op een van de kinderen van de Arabisch-Lapse familie. De chauffeur, duidelijk geirriteerd, reed van de ferry en manoeuvreerde zich naar de kant van de weg. Ik voelde hoe iedereen op de bus zich in stilte zat te ergeren. Toen de verloren zoon na tien minuten kwam opdagen, fulmineerde de buschauffeur over de treinaansluiting in Fauske die hij absoluut moest halen. De volgende pauze werd afgeschaft en de man was blijkbaar zo opgewonden dat hij ook geen zin meer had zijn commentaren in het Engels te vertalen. Ik merkte verheugd dat ik hem ook zonder vertaling verstond. Alle vrachtwagens en andere trage voertuigen die op de ferry achter ons stonden, reden nu voor ons op de bergachtige en bochtige E6 en het was niet zo makkelijk ze voorbij te steken. Toen we bijna in Fauske waren, en de rust in de bus ondertussen was teruggekeerd, werden we opgeschrikt door een bruusk remmanoeuvre. Toen we tot stilstand kwamen zag ik hoe amper vijf meter voor ons een eland langzaam de weg overstak. Ieder jaar gebeuren er in Scandinavië ettelijke dodelijke verkeersongevallen met elanden. We zijn goed weggekomen. Ondanks alle oponthoud waren we keurig op tijd in Fauske. Ik had nog tijd voor een koffie in het station van Fauske. De rumoerige familie, die zoals ik verwachtte ook op de nachttrein moest, begon nog een hele picknick uit te pakken, nadat ze eindelijk hun tientallen plastic zakjes uit de bus hadden geladen die blijkbaar hun bagage vormden. Mijn vrees werd bewaarheid: ze slaagden erin ook de nachttrein – die stipt op tijd het station was binnengereden – met drie minuten vertraging te doen vertrekken.

In Trondheim stapte ik meteen over op de trein richting Oslo en besloot verder te reizen tot Lillehammer, halfweg tussen Trondheim en Oslo. Daar scheen ondertussen de zon, dus bleef ik nog twee nachten in het olympische stadje, idyllisch gelegen aan het uitgestrekte Møsja meer. De jeugdherberg van Lillehammer is ondergebracht in het stationsgebouw, met uitzicht op de perrons. Een beetje apart, maar wel praktisch als je per trein reist. Eerst bezocht ik het openluchtmuseum Maihaugen, wat me met zijn oude, houten huisjes en zijn geensceneerde folklore een beetje aan Bokrijk of Den Gamle By in het Deense Århus deed denken. Ik ondernam nog een korte trip naar het nabijgelegen Hamar. Veel bijzonders had dit stadje niet maar ik wilde het op deze laatste dag wat rustig houden: beetje rondkuieren, lezen, nog wat souvenirs zoeken. Ik kocht me een cd met Noorse muziek en een stapel krimi’s, in de hoop die ooit gelezen te krijgen. De trip terug naar de luchthaven van Sandefjord verliep zonder speciale gebeurtenissen en na een korte avondvlucht stond ik weer op Duitse bodem. Het werd nog een hele bedoening om vanuit Frankfurt Hahn weer in Bazel te geraken, met krappe overstaptijden en een bijna gemiste treinaansluiting. In Mannheim stapte ik aan de verkeerde halte uit de luchthaven-shuttlebus, wat me nog een taxirit naar het station en een spurtje tot het perron kostte. Maar ik haalde de laatste trein en een paar uur later was ik weer thuis in Bazel. Te oordelen naar hoe de Zwitsers erbij liepen – in shorts en T-shirts, met sandalen – was hier net de zomer begonnen. Ik begon spontaan te zweten. Ik had het niet zo warm gehad in Noorwegen. Maar ik kwam wel terug van een fantastische reis, met adembenemend mooie landschappen en interessante ontmoetingen. Mijn volgende passage in Noorwegen zal wel niet voor meteen zijn, maar dat ik er opnieuw heen ga staat vast. En of ik het dan tot de Noordkaap haal, dat zien we dan wel.


Wim Van Mullem
Bazel, December 2004

Bohemen 2003

31 augustus - 13 september


In de voetsporen van Kafka...

Bazel was voor mij vroeger een soort doorgangsstation, waar mijn trein een tijd stilstond, onderweg naar verdere bestemmingen in Zwitserland of Italië. Het is een van die typische grensstations, waar van locomotief gewisseld wordt en wagons af- en aangekoppeld worden. Ik vermoedde toen niet dat dit ooit het station van mijn woonplaats zou worden. En het was dus ook het vertrekstation van mijn reis naar Bohemen, het land van Kafka en Kundera. Daar ik ruim een uur te vroeg terplekke was, had ik alle tijd om de pas geopende nieuwe stationspasserelle te observeren, die de reizigers voortaan over, en niet langer onder de sporen moet navigeren. Enkele roltrappen waren nog niet klaar, er werd nog aan van alles gewerkt en geboord en getimmerd, maar de meeste boetiekjes en bars waren al open. Voor het eerst zag ik ook de immense, gerestaureerde stationshal, die er maandenlang als een grote bouwwerf had bij gelegen. De immense muurschilderingen van o.a. de Vierwaldstättersee en alpenlandschappen maken de reiziger meteen duidelijk dat hij Zwitserland binnenkomt. Voor animatie – om niet te zeggen lawaai – zorgden de duizenden voetbalfans van FC Basel, dat klaarblijkelijk de uitwedstrijd tegen aartsrivaal Zürich gewonnen had. Ik vraag me nog steeds af wie in de meerderheid was: de FCB-fans of de politie. Het leverde in ieder geval meteen gesprekstof voor de Duitse jongedame die in de ICE naar Frankfurt naast me zat, waardoor deze drie-uur-durende-treinreis zo voorbij was. Verder was ze enorm geïnteresseerd in het kleine landje België, en nog meer in hoe een Belg in Zwitserland belandt.

In Frankfurt vertrok de nachttrein naar Praag. Een reeks Tsjechische slaapwagons, die eruit zagen alsof ze elk moment uit elkaar konden vallen, werd het station binnengereden. Haast letterlijk een verschil van dag en nacht, als je uit een poepchique Duitse hogesnelheidstrein komt. Ruim negen uur later stond ik in het station van Praag, waar het krioelde van toeristen, zwervers en ongure types. De stationsbuurt geeft meestal niet meteen het meest representatieve beeld van een stad, en dat was in Praag niet anders. De beeldmooie stad, waar iedereen het altijd het over heeft, leek enorm ver weg. Maar ik zou ze snel ontdekken. Ik meldde me aan in een van de typische studentenresidenties, die in de zomermaanden als hostel voor toeristen en backpackers worden opengesteld. Dat had ik een jaar eerder in het Poolse Krakau ook een keer gehad en dat was me toen wel bevallen: weinig comfort, maar voldoende voor wie niet veeleisend is. In Praag was dat heel letterlijk te nemen. Je ging er echt niet voor je plezier naar het toilet. Maar het grote voordeel was dat het op een boogscheut van het station gelegen was.
Verlost van de zware bagage ging ik op zoek naar het oude stadscentrum. En al snel werd ook voor mij duidelijk wat een juweeltje deze stad echt wel is. De superlatieven die met betrekking tot Praag zo vaak gebruikt worden, zijn geenszins overdreven. Ik smolt weg voor zoveel schoonheid. Niet letterlijk, want het was barkoud: een welkome verandering na de tropische pan-Europese zomer. Maar het verplichte me wel terplekke een nieuwe trui te kopen, die ik natuurlijk niet meegebracht had. Ik liep onder de poedertoren door, een overblijfsel van de veertiende-eeuwse stadswal dat in de 18de eeuw als opslagplaats voor munitie gediend had. Op een terras op het oude marktplein nam ik een snel ontbijt, stak de brug over de Vltava over, de Karlův Most, waar het wringen was tussen de kunstenaars en leurders en de toeristen, die alle hetzelfde plaatje wilden maken van het kasteel in het hoger gelegen stadsgedeelte. De klim naar het Hradčany maakte me opnieuw hongerig en daardoor vergewiste ik me voor het eerst van de beruchte, lage prijzen in Tsjechië. En dan geldt Praag nog als een dure stad. Moe van deze verkennende stadswandeling en van het weinige slapen in de nachttrein, besloot ik terug te keren naar het hostel voor een dutje. Dat duurde echter niet lang want ik werd gewekt door mijn Australische kamergenote, die de door mij op slot gedraaide deur niet open kreeg. Zij was al een paar maand van huis weg en maakte een soort van halve wereldreis. We raakten meteen in gesprek en besloten samen wat te gaan eten in de stad. Bij een voortreffelijke goulash en belachelijk goedkoop bier vertelde Hayley me uitgebreid over haar reis, die haar eerst naar Azië en daarna naar Europa gebracht had. In Praag verbleef ze sinds een tiental dagen, wat beduidend langer is dan de gemiddelde Amerikaanse Europareiziger. Praag vormde de drijvende spil voor het Europese luik van haar reis. Het was een afbeelding van het kostel Panny Marie před Týnem, de beeldmooie kathedraal van Praag, die haar had doen besluiten naar Europa te komen. Ze noemde het dan ook fier “my church”. Het leek voor haar een soort Mekka, het einde van haar pelgrimstocht. Na nog een paar very cheap beers besloten we ons door de koude nacht terug naar het hostel te begeven. Daar duurde het geen kwartier om slaap te vatten.

Mijn tweede dag in Praag begon ik met een architecturale wandeling in het jodenkwartier. De veelheid aan Jugendstilhuizen met zoveel kleine details in de gevels bezorgden me een stijve nek en deden me haast vergeten af en toe ook op het verkeer te letten. Terwijl het steeds harder begon te regenen, probeerde ik me voor te stellen hoe deze stad in Kafkas tijd moet zijn geweest. Hoe de schrijver door dezelfde straten gelopen was. Of hoe misschien ook jozef K. door deze staten had kunnen lopen, achtervolgd door zijn Proces. Eigenlijk paste deze regenachtige dag wel bij die voorstelling. Ik besloot mijn mijmerende, maar verregende wandeling dan ook met een koffie in Café Franz Kafka. Een gezellige bar, met houten wanden en veel spiegels, die met oude afbeeldingen en zwartwitfoto’s hulde wil brengen aan de onvolprezen auteur. Boven de deur in het achterzaaltje las ik op een bordje in grote letters “FRANZ KAFKAS VERSCHWUNDENES PRAG – WIR GRABEN DEN BABYLONISCHEN SCHACHT – DIE KERKERZELLE-MEINE FESTUNG”. Nadat Hayley me op het marktplein weer vervoegd had, bezochten we samen het Kafka-museum, dat gevestigd is op de plaats waar ooit Kafkas geboortehuis stond. Het bleek om een piepklein museum te gaan dat slechts uit één ruimte bestond en waar een aantal boeken en foto’s uitgestald waren en een video getoond werd. Een beetje teleurstellend vond ik. Hayley was echter gefascineerd door dit bizarre levensverhaal, waardoor ik het gevoel kreeg – niet voor het laatst op deze reis – dat de Europese geschiedenis en literatuur een heel andere impact hebben buiten Europa of op een andere manier becommentarieerd wordt. Het Museum of Torture is wellicht niet het meest typische museum in Praag maar het werd interessant door de onbewuste parellel met het Museum of Communism, dat we onmiddellijk daarna bezochten en waar het eerder om psychologische marteling ging. Dit bijzonder goed gedocumenteerde museum toont chronologisch hoe het communisme zich in Tsjechië vestigde, hoe de fusie met Slowakije tot stand kwam en hoe de Fluwelen Revolutie de splitsing van de twee staten en het uiteenvallen van het communisme tot stand bracht. Jammer dat het een uur vroeger sloot dan aangegeven in de brochure, waardoor we het laatste deel in Blitzkriegtempo moesten bekijken. Ik was eens te meer verrast door de perceptie van mijn Australische gezel. Ik kon me de getoonde beelden van de val van het IJzeren Gordijn nog levendig herinneren, als ging het om gebeurtenissen in mijn eigen achtertuin. Voor haar waren veel van deze dingen nieuw. Het zijn beelden die ik destijds live op televisie gezien heb. Van museums krijg je honger dus besloten we deze lange dag in een onvermijdelijk toeristisch restaurantje, alweer vergezeld van het nodige bier. En om onze laatste avond helemaal in schoonheid af te sluiten, dronken we nog een cocktail... op onze laatste avond. En op Hayley’s verjaardag.
Van Praag reisde ik verder naar het middeleeuwse stadje Český Krumlov, in het zuiden van het land. Daar ik heel vroeg op het station was, had ik nog tijd voor een kop koffie en gebak. Dus zocht ik het stationsbuffet op. Daar kreeg ik geen spijt van want dat bleek gevestigd in de vroegere majestueuze lokettenzaal, die als een soort ovale overloop over de benedenverdieping hing. In de halve cirkel waren de wanden met hout bekleed met op regelmatige afstand van elkaar de oude, houten loketten. Boven ieder loket hing een ouderwetse klok, die elk een andere tijd aangaven: de ene toonde de tijd in Praag, een andere New York, Londen, Sydney... Langs de leuning stonden tafeltjes en stoelen opgesteld, en achter een van de voormalige loketten was de bar en de keuken, achter een ander loket was een kiosk uitgebouwd. Heel origineel.

De reis naar Český Krumlov nam bijna een hele namiddag in beslag. Dat lag niet zozeer aan de aanzienlijke afstand, maar aan de tijd die de Tsjechische sneltreinen nodig hebben, om die afstand te overbruggen. Je hebt het gevoel dat ze nooit echt op snelheid komen. Het laatste stuk van het traject, van České Budějovice tot Český Krumlov, ging met een oud, log dieseltreintje dat traag over de hellingen en door de Tsjechische wouden tufte. Het leek wel een houten speelgoedtreintje. Soms werd onderweg minutenlang gewacht om een andere trein uit de tegengestelde richting op het eensporig traject door te laten. In České Budějovice wordt het vermaarde Budvar bier gebrouwen, de échte Budweiser. Tsjechen en Amerikanen discussiëren er al jaren over, aan wie die naam eigenlijk toekomt. Eén ding is voor mij alleszins duidelijk: het Tsjechische is het beste.
Český Krumlov is de moeizame reis meer dan waard. Van het station tot het grotendeels autovrije centrum was het een fikse wandeling, terwijl het ondertussen weer zonnig en warm geworden was, maar gelukkig vond ik vrij snel het Traveller’s Hostel dat ik in mijn reisgids had uitgekozen. Na een avondwandeling door het stadje en een wel erg toeristische maaltijd, schnitzel met friet, in een al even toeristisch restaurant vol dikke cliché-Duitsers, besloot ik mezelf nog op wat Tsjechisch bier te trakteren in de bar van het hostel. Die was erg gezellig en inmiddels aardig volgelopen met voornamelijk Angelsaksische gasten. Ik maakte kennis met alweer Australiërs en een stel Canadezen, en we spraken af om de volgende dag samen te lunchen.
Voor mijn tweede en laatste dag in dit landelijke plaatsje had ik me voorgenomen een wandeling of een fietstocht te ondernemen, maar door een domme val op een vervloekt trapje in de ontbijtzaal zag ik me verplicht dat programma wijzigen. Een verstuikte voet dwong me tot een halve rustdag. Mankend begaf ik me dus naar mijn lunchafspraak. Ditmaal kregen we een wel heel apart streekgerecht: uiensoep, geserveerd in een uitgehold brood. ’s Namiddags bracht ik nog een bezoek aan het marionettenmuseum, waar ik leerde dat marionetten iets typisch Tsjechisch zijn, en ik herinnerde me dat je in Praag elke dag voorstellingen van marionettentheater kan bijwonen. De avond bracht ik opnieuw door in gezelschap van mijn Canadese en Australische vrienden. Na het Mexicaans restaurant bezochten we nog enkele cafés en belandden tenslotte weer in de bar van het Traveller’s Hostel. Daar was een heuse party aan de gang, met nog meer Australiërs, maar ook Ieren, Schotten en... liters goedkoop bier.

In Brno werd bioloog Georg Mendel geboren. Die onuitspreekbare plaatsnaam is me uit de middelbare schooltijd bijgebleven. Het mag een rare motivatie zijn voor iemand die altijd gebuisd was voor de wetenschapsvakken, maar precies daarom wilde ik deze stad wel eens zien. Na alweer een eindeloze treinreis ging ik op zoek naar de jeugdherberg die ik in mijn reisgids had gevonden. Het werd een lange, vergeefse zoektocht, terwijl het steeds later werd. De herberg bleek ver buiten het centrum te liggen en het kostte me al twintig minuten om erachter te komen welke tram ik daarvoor moest nemen. Dankzij een paar behulpzame Tsjechen belandde ik uiteindelijk in de juiste buurt. Een rustige woonwijk, waar verder niet veel te beleven leek. De meeste mensen die ik vroeg schenen nog nooit van de betreffende straatnaam gehoord te hebben. Een oude man wist me wel te vertellen waar het was, maar was heel verwonderd dat ik daar een hostel zocht. Hij zou wel even met me mee lopen. Onderweg kreeg ik een hele klaagzang te horen over de vele buitenlandse immigranten die sinds het wegvallen van het ijzeren gordijn naar Brno waren gekomen en meer criminaliteit en de verpaupering van de buurt veroorzaakt hadden. Op het gezochte adres aangekomen, bleek het gebouw helemaal leeg te staan, net zoals de meeste gebouwen in de omgeving. Eén ding had ik al begrepen: vertrek nooit met een oude reisgids, ook al is ie pas van het jaar ervoor. De oude man scheen met me te doen te hebben en zei dat ie wel een oplossing voor me zou vinden. Iets verderop kende hij een hotel, zei hij verontschuldigend, en dat zou wel heel duur kunnen uitvallen. In het hotel speelde hij voor tolk en durfde me de voor hem heel dure prijs van omgerekend ongeveer 15 euro bijna niet te noemen. Ik liet niet merken dat ik dat belachelijk goedkoop vond en zei dat ik de kamer wel zou aanvaarden. De rust van een eenpersoonskamer in een saaie buurt luchtte eigenlijk wel op, na al het feesten van de voorbije dagen.
Niet ver van het hotel vond ik gelukkig een bar waar nog wat te eten geserveerd werd. Van toeristen hadden ze hier nog niet al te veel last gehad en de bediening gebeurde exclusief in het Tsjechisch. Het enige gerecht waar de kelner een Duitse vertaling voor wist was “Schnitzel”. Dus was mijn keuze snel gemaakt. Ik was even vergeten dat je in dit land je pint nooit mag leegdrinken: toen ik eindelijk mijn halve liter bier had opgekregen, stond er binnen de minuut een nieuwe. Voor de prijs moest ik het alleszins niet laten.
Brno heeft een mooie, oude stadskern, die ik te voet verkende, maar meer dan een halve dag heb je er eigenlijk niet voor nodig. Dus zette ik mijn reis gauw verder naar Bratislava.

Wat me van de Slowaakse hoofdstad het meest is bijgebleven, is het futuristische hotel waarin ik verbleef, Hotel Spirit. Een gebouw dat eruit zag als een schilderij van Dalí of Picasso. Veelkleurig beschilderde muren met allerlei tierlantijntjes, puntige en ronde uitsteeksels, onbenoembare metalen figuren op het dak, een oog... En geen enkel venster zag er hetzelfde uit. Erg New-Age. Ik heb er erg goed geslapen, ondanks de nachtelijke rangeerwerkzaamheden in het aangrenzende station. Bratislava zelf viel een beetje tegen. De stad heeft een heel mediterraan karakter, met de gezellige terrasjes in het autovrije oude centrum, en er heerste ook merkelijk een warmer klimaat. Maar ondanks al die charme kon Bratislava me maar matig bekoren. Ook de Donau leverde niet het pittoreske uitzicht dat je zou verwachten. Later zou ik vernemen dat ik in Bratislava op een paar dagen na het pausbezoek gemist had.

De rest van Slowakije reserveerde ik voor een volgende reis en ik spoorde verder naar het Hongaarse Boedapest. Een stad van een heel ander allure dan alle andere die ik op deze trip bezocht had. Grootser, wereldser... Dat werd al duidelijk in de trein, toen mensen van het “officiële” toeristenbureau langskwamen met aanbiedingen voor eerlijke overnachtingsmogelijkheden. Ik sloeg het aanbod af en dacht dat ik me zoals gewoonlijk wel zou redden. Op het perron werd ik voortdurend aangeklampt door allerlei louche figuren met dezelfde aanbiedingen – veel goedkoper, maar met weinig kwaliteitgarantie – die ik uiteraard ook afsloeg. Na wat zoeken en telefoneren, wat ronddwalen en een metrorit, belandde ik uiteindelijk in het democratische hotel Marco Polo, waar ik een kamer toegewezen kreeg die ik met twee anderen zou moeten delen. Daar maakte ik meteen kennis met mijn Franse kamergenoot. Daar het al vrij laat was en we beide moe en hongerig waren, besloten we samen wat te gaan eten in het stadscentrum. Boedapest heeft veel weg van Parijs, vooral wat de architectuur betreft, maar ook door de drukte en verkeersinfrastructuur met brede boulevards. Tegelijk herinneren de zwartgeblakerde gevels zeer aan het Oostblok. Over het algemeen geeft de stad echter een heel westerse indruk. Lichtreclames, moderne elektrowinkels, nightclubs... De binnenstad was overspoeld door toeristen. Het is ons ook niet gelukt een authentiek restaurant met echte streekgerechten te vinden, in plaats van de dingen die ze aan alle toeristen aanbieden. Het werd dus een onvermijdelijke toeristenmenu waar het niet snel genoeg kon gaan om plaats te maken voor volgende gasten. Na het avondmaal besloten we de volgende dag samen de stad te verkennen.
Het leek wel of ik in Boedapest plots in een ander klimaat terechtgekomen was. Het was er zomers warm. De trui die ik in Praag nog zo moeilijk kon ontberen, kon definitief in de rugzak, leek het. Puffend en zwetend begonnen we aan onze stadswandeling, die ons langs de belangrijkste historische gebouwen voerde. Vanuit Pest staken we de Donaubrug over en liepen naar het hoger gelegen Buda. Daar hadden we een prachtig uitzicht over de Donau en Pest.
Terug in het hotel maakten we kennis met onze nieuwe kamergenoot: een jonge, dikke Amerikaan, die in Europa was om researchwerk te doen voor het boek dat ie ging schrijven. Het verhaal zou draaien om een Tsjechische immigrant die in de criminaliteit belandt. Na een snelle hap in een hamburgertent maakten we kennis met het Hongaarse nachtleven en nestelden ons op een gezellig terras, op een pleintje dat net zo goed ergens in Frankrijk had kunnen liggen. We raakten in gesprek met twee Hongaarse dames en hadden een interessante discussie over de EU en over hoe Hongarije en de negen andere nieuwe lidstaten zich op de toetreding voorbereidden. Ik had me lang ingehouden, maar kon het toch niet laten Kata de klassieke domme vraag te stellen, of zij überhaupt iets van de Finse taal begreep, aangezien Fins en Hongaars als enige talen tot de Fins-Ungrische familie behoren. Zoals verwacht antwoordde ze me ietwat verveeld dat beide talen niet meer verwant waren dan pakweg Spaans en Duits.
Vanuit Boedapest maakte ik nog een uitstap naar het Balaton-meer, maar dat bleek minder indrukwekkend dat vermoed. Bovendien hing er een dichte mist, waardoor de oversteek met het veer ook maar weinig charme had.

Mijn reis eindigde opnieuw in Kafkas voetsporen. In de buurt van Wenen stierf immers de auteur. De laatste etappe van een reis is er voor mij vaak net één te veel. En dat was ook dit keer niet anders. Het weer was opnieuw omgeslagen, ik voelde een verkoudheid opkomen, was moe, en Wenen kon me niet meer enthousiasmeren. Dat had wellicht minder met de stad zelf te maken dan met hoe ik me voelde. Ik probeerde de beroemde Weense koffie uit en flaneerde wat verveeld door de winkelstraten, waar ik tot mijn grote verbazing plots mijn naam hoorde. “Hey Wim, how are you!?” Who on earth kon dat zijn? Mark and Jaye, de Canadezen uit Český Krumlov! Small world. We logeerden in hetzelfde hostel. Ook zij hadden het gevoel dat in deze stad niet zo heel veel te beleven was. Het werd me stilaan duidelijk dat iedereen dezelfde trip maakt, niet noodzakelijk in dezelfde richting, maar met dezelfde etappes. De volgende dag maakten zij vanuit Wenen een daguitstap naar Bratislava. We zouden elkaar ’s avonds opnieuw treffen in de bar van het Wombat’s hostel. En ze kwamen met een verhaal terug: net op die dag was de Paus in Bratislava op bezoek. De halve stad was afgesloten en overal liepen er security mensen rond. Toen ze aan iemand vroegen wat er gaande was vernamen ze dat uitgerekend op die dag de paus een bezoek bracht aan Bratislava. En even later zagen ze dan ook de Pausmobiel voorbijrijden.
Ik bracht nog een lange, saaie dag door in Wenen, vooraleer ik in het Westbahnhof op de nachttrein naar Zürich kon. En van daar ging het opnieuw naar Basel. Eindstation.


Wim Van Mullem
Bazel, oktober 2003/mei 2004

Sonntag, Februar 12, 2006

Polen 2002

Juni 2002
Het idee voor deze reis ontstond drie jaar geleden in Denemarken, waar ik enkele studenten uit Polen had leren kennen. Na talrijke interessante gesprekken over Polen, en de verschillen met West-Europa en de EU, nam ik me voor dit land te bezoeken. Ik wou wel eens zien of ze er inderdaad van die slecht onderhouden, hobbelige wegen hadden, en winkels waar je niet zomaar alles vond wat je wou hebben. Ik hield contact met Magda Olbryt en beloofde haar dat ik haar wel eens zou komen opzoeken. En in juni 2002, bijna drie jaar later, kwam het er dus eindelijk van. Gelukkig, want de reis gaf me een overwegend positieve indruk van een land dat wij eigenlijk niet kennen. De mensen zijn er ontzettend vriendelijk en gastvrij. En al zijn er nog veel verschillen, van die schaarste in de winkels en stroeve mechanismen, waar men me in 1999 nog over sprak, heb ik eigenlijk, als toerist althans, niet veel gemerkt. Je ziet er nu ook Coca Cola, Mc Donalds en Heineken, filialen van de Fortis Bank, neonreclames etc. De nieuwste automodellen van pakweg Renault, Ford, of Volkswagen, zie je er net zo goed als bij ons, naast de oude, kleine “Polski Fiatjes”, die misschien nog wel 20% van het wagenpark uitmaken. Mensen zijn “hip” gekleed en hebben allemaal een mobieltje bij. Op het eerste zicht doet het land heel Europees, heel Westers aan. De Polen hebben zich blijkbaar enorm snel aangepast aan de Westerse consumptiemaatschappij. En zo zal het ook in de andere centraal- of Oost-Europese landen wel gegaan zijn... Op zich is dat natuurlijk een goede zaak, al is het ook wel jammer dat er op die manier van de eigenheid van zo’n land meteen veel verloren gaat. Want moet alles klakkeloos overgenomen worden? Toch gaat nog niet alles even vlot. Dat merkte ik na een paar dagen. De werkloosheid ligt nog steeds vrij hoog, de mensen verdienen niet veel geld, en de moderne kleren die ze dragen komen vaak uit tweedehands winkels.

Zoals gewoonlijk reisde ik per trein, vanuit Brussel eerst via Keulen naar Braunschweich, waar ik een ligplaats in de nachttrein gereserveerd had. Zo’n nachttrein naar een of ander Oostblokland, met een bordje “Warschau” of “Moskou” erop, vond ik als tiener al iets speciaals hebben. Er worden wel eens wilde verhalen over dit soort treinverbindingen verteld. En op een of andere manier trekt dat me aan. Ik dacht er toen al aan, ooit zo’n treinreis te ondernemen. Na enkele lokale tussenverbindingen in Duitsland kon ik dan eindelijk op de EuroNight trein naar Warschau stappen. Ik zou meereizen tot Poznan. Een vuile, oude trein, die in geen jaren een wasbeurt gekregen leek te hebben, reed het station binnen. Precies zoals ik het verwacht had eigenlijk. Toen ik instapte, op zoek naar mijn ligplaats, werd ik nageroepen door de wagonsteward (“konduktor” in het Pools), een Poolse man, die slechts met moeite Duits sprak. Toen hij mijn Luxemburgs treinticket zag, verscheen er een brede grijns op zijn gezicht: Mmmm... LoeksemboerK... Dat vond ie blijkbaar heel interessant. Veel kon ik hem alleszins niet vertellen; hij verstond me nauwelijks. De gang stond vol luidruchtige en bierdrinkende Duitse pubers, die me later nog een hele tijd uit m’n slaap hielden. Toen ik nog maar net mijn compartiment binnengestapt was, kwam de Poolse konduktor me al berispen dat ik de deur wel moest vergrendelen. En dan denk je toch weer even aan die verhalen over diefstal aan boord, of over nachttreinen die in Polen regelmatig met stenen bekogeld zouden worden. Niets meer aan te doen. De trein zette zich piepend in beweging naar Frankfurt/Oder en daarna Polen. De wagon kraakte soms hard in de bochten. Een oudere dame in het compartiment zat geregeld in het Pools te mompelen, waar niemand wat van verstond. Niemand schonk er verder aandacht aan. De douaneformaliteiten namen veel tijd in beslag, maar ik kreeg probleemloos een stempel in mijn paspoort. Wel handig dat die ambtenaren gewoon een tijd op de trein meerijden.
De trein was stipt op tijd in Poznan, waar ik 10 minuten had om over te stappen op de trein naar Rzeszow. Onderweg in Kraków, rond het middaguur, onderbrak ik mijn reis om even de benen te strekken en een snack te eten. Het moment om alvast euro’s om te wisselen in zloty. Er blijken wel voldoende geldautomaten te bestaan, maar ik las ergens dat het handiger was om ter plekke geld te wisselen. Echt noodzakelijk was dat dus niet.
Meteen werd duidelijk dat communicatie hier weer een probleem zou worden. Die Polen spreken geen woord Engels, en diegenen die beweren een klein beetje Duits te spreken zijn overmoedig. Met gebarentaal lukte het nog wel, maar erg efficiënt is het niet. Je voelt je zo machteloos. Dit maakte ik in Finland al een keer mee. De mensen waren wel bijzonder vriendelijk. Iedereen liep haast te glimlachen De dikke lap deeg met een laag gesmolten kaas en ketchup eroverheen, die voor pizza verkocht werd, had me toch voldoende opgekrikt om het laatste stukje tot Rzeszow en Łańcut af te rijden in alweer een stampvolle trein. De Poolse treinen rijden overigens vrij stipt. Per trein reizen is in Polen naar verluidt ook heel goedkoop. Al heb ik dat met mijn speciale Euro Domino pass niet zelf kunnen ondervinden.

Na een uitputtende treinreis van ruim twintig uur bereikte ik uiteindelijk Rzseszow, waar ik enkel nog een kwartiertje moest wachten op de lokale trein naar Łańcut. Dat is een klein stadje in het zuiden van Polen, dat vooral bekend is om zijn wodkastokerij. Vanaf het station van Łańcut is het een fikse klim tot het centrum, maar hij loonde de moeite. Een mooi stadje. Ik verbleef in een hotel, dat in een schitterend 17de eeuws kasteel gevestigd is. Chique én... spotgoedkoop: 55 zloty, of een kleine 14 euro. Het interieur was wel vrij sober ingericht. ’s Avonds in het restaurant had ik een bijzondere culinaire ervaring. Ook hier sprak men weer geen Engels of Duits, maar gelukkig stond er op de kaart een verklaring in het Engels bij. Handig, als je graag weet wat je bestelt, en vooral als je de typische streekgerechten wil uitproberen. Die moest ik dus weer allemaal met de vinger aanwijzen. Je mag dan zeven talen spreken. Als men er geen enkele van begrijpt, zit je toch te sukkelen. Ik zat helemaal alleen in de majestueuze ruimte. Meer kan ik er eigenlijk niet over vertellen want wat me vooral is bijgebleven, is de snelheid waarmee ik bediend werd. Ik had nog maar net besteld, of mijn żurek stond er al! Toen ik net een tweede hap van deze heerlijke Poolse soep, met stukken worst en een hardgekookt ei, naar binnen had geslurpt, brachten ze de hoofdschotel al. Je krijgt niet echt de tijd om te genieten van hun voortreffelijke gerechten. Ik ervoer het als snijden in een open wonde van een Bourgondiër. Nog nooit zo snel gegeten in een restaurant (en alweer spotgoedkoop). Ik wist dat ze in de Balkan de gewoonte hebben nogal snel je tafel af te ruimen. Blijkbaar geldt dit soort snelheidsbediening ook voor Polen. Nou ja, ’t is een andere cultuur. Vooral als je beseft dat de doorsnee Pool zich niet eens een diner op restaurant kan permitteren.
Na de avondmaaltijd ben ik nog even door het park om het kasteel gaan wandelen, dat er na een korte maar felle regenbui alweer zomers bij lag. Na een verkwikkende nachtrust bezocht ik het kasteel waarin ik geslapen had – het museumgedeelte. Het deed me een beetje denken aan het slot van Potsdam. Al was het maar omwille van de grappige pantoffels die je over je schoenen moet schuiven om de parketvloer niet te beschadigen. Het barokke slot dankt zijn roem aan de machtige families Lubomorski en Potocki, die het ooit bewoonden.
Ik nuttigde opnieuw het avondmaal in het restaurant, want makkelijk is het wel. Ik zat er weer niet lang, maar dat had deze keer wel een andere reden. Een Poolse jongedame kwam binnen en vroeg me iets in het Pools. Toen ik haar met mijn beperkte woordenschat duidelijk maakte dat ik haar taal niet sprak (“nie mówię popolsku”), was ze eerst verbaasd, en stelde dan een onnozele vraag: “Do you speak swedish?” Toen ik, na wat aarzelen, bevestigend antwoordde, stond ze even perplex als ik. Het toeval wou dat ik hier een Poolse ontmoette die in Zweden woont! De verwarring was compleet. Maar het leverde meteen gespreksstof op. Ze raadde me wel aan om zo snel mogelijk mijn bord leeg te eten en uit het restaurant te vertrekken. Hier kwam je geen Polen tegen, zei ze. Ze zou me wel even laten zien waar de échte Polen zaten. Hoe hier echt geleefd werd. Ze was een beetje in de war, maar blij dat ze iemand voor zich had die “normaal” was, d.w.z. niet fake en macho als de Zweden, en niet kortzichtig als de Polen (sic). Ook al sprak ik dan de taal van de Zweden en had ik me reeds aan het Poolse Żywiec bier gehecht. Want dat hebben de noorderlingen en de Polen wel gemeen: ze drinken ontzettend veel bier. Ik was al lang blij dat ik na twee dagen een lingua franca ontdekt had. De cafés in deze kleine stad bleken aardig vol te zitten, en de sfeer zat er wel in. Toen ik opmerkte dat er toch veel volk in de bars rondhing op een weekdag, kwam de hoge werkloosheid (17%) in dit land ter sprake. De mensen vervelen zich en zoeken soelaas in het bier. Ze gaan dus niet uit omdat ze geld te veel hebben, maar omdat ze het weinige geld dat ze hebben uit pure miserie komen opdrinken. Voor hen is het bier niet zo goedkoop, al kost het amper een derde van de prijs in België of Luxemburg. In ieder geval was het een heel leerrijke, én leuke avond tussen de “echte” Polen.

Vanuit Łańcut reisde ik verder naar Zakopane, aan de voet van het Tatry-gebergte, de pre-karpaten, zeg maar. Heel mooi landschap. Ik legde het traject per bus af, omdat er geen rechtstreekse treinverbinding bestaat. Het was een mooie rit, in een comfortabele autocar, door een landschap dat heuvelachtiger werd naarmate we Zakopane naderden. De bus kroop over steile en smalle bergpasjes omhoog. De reis duurde wel acht uur, veel te lang. Daarin had ik me wat misrekend. Een kamer vinden was hier echter geen probleem. Je staat nog met één voet in de bus of de wat oudere dames staan je al toe te roepen: “Pokoje, pokoje, cheap rooms, Zimmer!”, mekaar beconcurrerend. Het had haast iets van prostitutie. Ik besloot toch maar in te gaan op het voorstel (ik kon haast niet anders) en regelde twee overnachtingen in een chalet, keurig onderhouden, voor amper 80 zloty (ca 20 euro). Zakopane is heel toeristisch. Je kan je er wel uit de slag trekken met een minimum aan Engels en Duits. Da’s toch vlotter dan met gebarentaal. Ik maakte een prachtige maar uitputtende wandeling naar het meer Morskie Oko (letterlijk “Het oog van de zee”). Vanuit Zakopane bracht een van de “mikrobussen” me eerst voor weinig geld naar Łysa Polana, bij de Slovaakse grens. De chauffeur reed vrij wild, maar boven zijn achteruitkijkspiegel hing een beeltenis van Jezus. Die zou ons wel beschermen, dacht ik dan maar. Het laatste stuk, vanaf Łysa Polana, moest te voet afgelegd worden. Dat traject loopt door een nationaal natuurpark, waarvoor je inkomgeld moet betalen, en je wordt verondersteld op de paadjes te blijven. Acht kilometer klimmen en vanaf het meer nog een steile klim langs de waterval, naar het volgende meer: Czarny Staw... en dan nog acht kilometer terug. Het was een hele onderneming in de broeierige hitte en een brandende zon. Maar het landschap was prachtig. Aangekomen bij het Oog van de Zee, had eenieder dezelfde reflex: schoenen en kousen uit, en aan de rand van het meer pootje baden, genietend van het prachtige uitzicht op het Rysy massief. Het gebergte heeft een alpijns karakter. Aan het meer sprak ik met een Pools koppel uit de omgeving van Warschau, op vakantie in eigen land. Ze vertelden me in voortreffelijk Engels hoe vele dingen ten goede veranderd waren in Polen, maar benadrukten dat er nog steeds veel werkloosheid en armoede is. De levensstandaard ligt beduidend lager dan bij ons. Vooral het vreemde talenonderwijs zagen ze als belangrijke stap naar verdere toenadering tot de EU. Voor mijn terugreis naar Zakopane stond er in Łysa Polana alweer een mikrobus te wachten. Een oude, rammelende bestelwagen, zonder Jezusprentje deze keer, maar met een betere chauffeur. Al hield de ganse bus even de adem in toen in een haarspeldbocht een vrachtwagen blijkbaar niet op tegenliggers gerekend had. Een bang momentje, maar we brachten het er goed van af. Ook zonder Jezus bescherming.

Na het bergavontuur spoorde ik naar Kraków. Eerst bezocht ik de zoutmijn van Wieliczka, een tiental kilometer verderop, waaruit sinds de 13de eeuw zout ontgonnen wordt. Ze werd in 1978 ingeschreven op de Werelderfgoedlijst van de Unesco. Ik mocht aansluiten bij een groep Amerikaanse toeristen. Dat leverde alvast het voordeel op, dat ik de charmante en perfect Engels sprekende gids zoveel vragen kon stellen als ik maar wou. We daalden langs een eindeloze houten trap af in een schacht, tot op 64 meter beneden zeeniveau. De temperatuur was er rond de 12 graden, wat een enorm verschil was met de 30 graden buiten. Daarna daalden we nog verder tot -135 meter. Op verschillende plaatsen in de mijn zijn standbeelden minutieus uit het zout gehouwen. Sommige zalen zijn omgevormd tot kapel. Dat liet de gelovige mijnwerkers toe hun godsdienst te beleven tijdens hun wekenlange “verblijf” onder de grond. Indrukwekkend is vooral de kapel die uitgehouwen werd ter ere van koningin Kinga. Het is als een ondergrondse kathedraal, een juweeltje, met “zouten” kroonluchters en standbeelden, waaronder een van de paus. Er worden nog steeds erediensten in gehouden, bij speciale gelegenheden. Af en toe wordt de ruimte gebruikt voor een klassiek concert. De akoestiek is uitzonderlijk. En plots herinnerde ik me dat Magda me ooit een cassettebandje opstuurde met muziek van de Poolse componist Preisner... live uitgevoerd – ik heb het later thuis meteen nagekeken, en ja hoor – in de kapel van Wieliczka! De weg terug naar boven kon gelukkig met een lift, in kleine groepjes. Het was wel even schrikken toen de grote, ijzeren kooi eerst met een schok verder naar beneden zakte, en dan enkele minuten in volstrekte duisternis bleef hangen. Niemand kon wat zien, niemand zei wat, maar de angst van sommigen was duidelijk voelbaar. Plots bewoog het gevaarte zich pijlsnel naar de oppervlakte, en daar werd alles duidelijk: het ging om een lift met drie verdiepingen, die dus tweemaal moest zakken om iedereen te laten instappen.
Overnachten deed ik dit keer in een studentenhome. Die worden in Polen tijdens de zomermaanden ter beschikking gesteld van toeristen maar zijn eigenlijk vrij duur voor wat het is (ca 20 euro per nacht). Je hebt slechts een minimum aan comfort, maar goed. Meer heb je ook niet nodig. Het heeft wel iets aparts als je in de gang de studenten ziet, die nog examens hebben of maar net klaar zijn. Of die om middernacht hun kamer nog zitten op te ruimen en te schrobben.
Kraków is veel groter (750.000 inwoners) en dus merkelijk duurder dan Łańcut en Zakopane. Hier had ik met Magda afgesproken. Het was een blij weerzien, na bijna drie jaar. Ze had nog twee vriendinnen meegebracht. Heel gezellig. De communicatie verliep in vloeiend Engels. Zo kreeg ik een gezellige, geleide wandeling door deze mooie, historische stad, al was het eigenlijk te warm om een inspanning te leveren. Onderweg vertelden mijn privé gidsen me over de lange geschiedenis van hun land en over de stad. Boeiend was ook de stadslegende van de draak die zich schuilhield onder de Wawelberg, waarop de stad ontstaan is, maar – na vergeefse pogingen van edele ridders – overwonnen werd door een eenvoudige schoenmaker. Als beloning mocht hij de dochter van koning Krakus huwen... Er werd die zaterdag van alles georganiseerd in de stad, naar aanleiding van de “kortste nacht” van het jaar, 22 juni. Vandaar ook een massa volk. Op het eind was er een groots gebeuren met klank- en lichtspel en optredens langs de oevers van de Wizla. En vuurwerk natuurlijk. Veel mensen liepen met bier in plastic bekertjes over straat, tot grote verbijstering van mijn Poolse vrienden, want normaal is consumptie van alcohol op openbare plaatsen streng verboden. Je mag er m.a.w. het café niet mee uit. Blijkbaar knepen de alomtegenwoordige ordediensten voor een keer een oogje dicht, waar wij ook meteen van profiteerden. Wat mij eigenlijk meer schokte, was dat zo veel mensen, vooral vrouwen, hun bier met een rietje drinken.
Ik was aanvankelijk van plan om vanuit Kraków naar Oświęcim (Auschwitz) te reizen, maar daar ben ik van af gestapt. Echt een plezierige plek is het natuurlijk niet, en het is toch maar weer twee uur sporen. Ik herinnerde me het schrikwekkende bezoek aan het kamp in Sachsenhausen bij Berlijn, een paar jaar eerder. Bovendien was ik ontzettend moe, dus besloot ik maar een rustdag in te lassen en nog wat rond te slenteren in het centrum van Kraków, in de haast ondraaglijke hitte. Al kan je uren blijven mijmeren op een terrasje langs het sfeervolle marktplein, de Rynek Glówny, omringd door kunstenaars, straatmuzikanten en honderden duiven... De dag nadien begon ik de laatste etappe naar ’s lands hoofdstad.

In Warschau (Warszawa) leek het of ik in een andere wereld terechtkwam, of in een heel ander Polen. Zo groot was het contrast met Kraków en de andere plaatsen die ik in het zuiden van het land bezocht had. Reeds op de exprestrein was het verschil merkbaar. Geen vuile of beslagen ruiten deze keer, een airco die normaal functioneerde. Er werd ergens Italiaans gesproken... Ook in Warschau werd plots vlot Engels gesproken. Hier en daar hoorde ik mensen Frans spreken, weliswaar met een accent. Toen ik uit de trein stapte in het ondergrondse centraal station, leek het even of ik in de Londense subway terechtgekomen was. Het station geeft een zeer internationale indruk, met tal van winkels, een onstuimige mensenzee, bordjes en aanduidingen in verschillende talen… als een echte metropool. Boven de grond kreeg ik daarna een zeer verwarde eerste indruk van deze vreemde hoofdstad. Ik heb er geen ander woord voor: vreemd. Ik heb de eerste dag vergeefs naar het “hart” van de stad gezocht, ik zag enkel drukke straten en brede, grijze lanen, wegen die nergens heen leken te lijden Waar was het centrum? Warschau leek, zoals ik het al had gelezen in mijn Guide Routard, een stad zonder ziel. De voornaamste oorzaak van het vervreemdingseffect is ongetwijfeld het feit dat de stad tijdens de Tweede Wereldoorlog volledig platgebombardeerd is, en nadien op identieke wijze, volgens de originele bouwplannen, werd heropgebouwd. Knap werk, maar het creëert een kunstmatige sfeer. Een ander element is dat de oorspronkelijke bevolking haast volledig werd uitgeroeid, en dat de huidige bewoners van de stad (ca 1,7 miljoen) eigenlijk geen gemeenschappelijk verleden hebben. Toen ik het “historische” centrum ontdekt had, was ik onder de indruk hoe nauwkeurig de middeleeuwse huizen heropgebouwd waren. Het is een meesterwerk. Het stadsmuseum biedt een gedetailleerd overzicht over de wederopbouw van de stad. Het geeft een zeer vreemd gevoel, in een middeleeuwse wijk rond te wandelen die eigenlijk pas in de jaren 1950 gebouwd is. Ronduit lelijk is daarentegen het allesoverheersende cultureel centrum in de stationswijk. Het is een kopie van de Amerikaanse Empire State Building, een duur project dat Stalin per se wou doorvoeren, en waar eigenlijk niemand mee gediend was, zeker niet de duizenden mensen die sinds de bombardementen dakloos waren en moesten wachten op een nieuwe woning.
Over het algemeen gaf Warschau me dus eerder een grijze, grauwe indruk. Het verkeerde beeld dat ik vooraf van Polen had, maar dat ik na Kraków en de mooie stadjes in het zuidoosten vergeten was, kwam hier toch naar voren. Het is a.h.w. een “authentieke”, communistische stad. Ze is dan ook “gebouwd” in volle Koude Oorlogsperiode. Ook de incheckprocedure in de jeugdherberg beantwoordde aan de Oostblokclichés, met een galmende, stenen trap naar een vierde verdieping, zoals je ze wel eens in Koude Oorlogfilms ziet, en een eerder lauw onthaal met geforceerde glimlach. Zonder paspoort kwam je er in geen geval door.
Wat me in Warschau nog het meest stoorde, was dat de prijzen er astronomisch gestegen zijn, zonder dat de inkomens van de arme Polen die tendens volgden. Ik was stomverbaasd, mijn cappuccino plots duurder te betalen dan ik in Luxemburg gewend ben. Ook het bier werd hier plots aan “normale” prijzen verkocht. Europese prijzen die ik niet meer gewend was, en die de meeste Polen doen huiveren. Toch zaten de terrassen en restaurants goed vol. Vol met toeristen, of parvenu’s, die het zich kunnen veroorloven. In deze bedrieglijke stad. Het had iets decadents. Langer dan twee dagen had ik het er niet uitgehouden. Hier vertrok mijn nachttrein, terug naar Keulen.

Polen heeft me aangenaam verrast. Het is een fris en gastvrij land, dat openstaat voor nieuwe dingen. Het heeft de zware erfenis van het communisme grotendeels van zich afgeworpen en is klaar voor verandering. Toetreding tot de EU is voorzien voor 2004 en er wordt hard gewerkt om die kaap vlot te ronden. Grootste struikelblok, naast de hoge werkloosheid, is daarbij de landbouwpolitiek. In Polen wordt op een heel andere en duurdere manier aan landbouw gedaan dan in de EU-landen. Om dat vol te houden rekent het land op aangepaste (dus hogere) EU-subsidie, maar het is weinig waarschijnlijk dat het die ook zal krijgen. Er is dus nog heel wat werk te doen. En het blijft natuurlijk de vraag of het wel zo interessant is, opgeslokt te worden door het grote Europese Monster, dat zijn zaakjes zelf nog niet helemaal voor mekaar heeft. Ik heb mijn Poolse vrienden alleszins al gewaarschuwd voor de keerzijden. Laten we hopen dat dit land het hoofd boven het westerse water houdt en vooral zijn eigen aard niet verliest. Het zou zonde zijn.


Ik draag dit reisverhaal op aan mijn vader, die het relaas met veel plezier gelezen zou hebben, maar helaas te vroeg van ons heengegaan is, in februari van dit jaar.

Wim Van Mullem
Luxemburg, Augustus 2002